De ontwikkelingen op psychiatrisch gebied namen in de jaren dertig van de vorige eeuw een grote vlucht.

2 april 2008 om 00:00 Nieuws
Mannelijke patiënten gingen aan het werk in de schoenmakerij. Rectificatie: In deel I is vergeten bij de foto’s te vermelden dat die verkregen zijn via de website www.oud-apeldoorn.nl met toestemming van M. Huisman. De ontwikkelingen op psychiatrisch gebied namen in de jaren dertig van de vorige eeuw een grote vlucht. Er werd onder andere een scheiding aangebracht tussen psychiatrische patiënten en psychopaten; tussen zwakzinnigen en moeilijk opvoedbare kinderen. Het streven was, naast voorkoming van opname in een psychiatrische inrichting ook goede begeleiding na ontslag uit de inrichting te geven. De goede psychiatrische zorg van Het Apeldoornsche Bosch maakte dat er voortdurend volle bezetting was en men uitkeek naar nieuw op te richten joodse instellingen op psychiatrisch gebied, waarbij de patiënt poliklinisch behandeld kon worden. Zo werd in Amsterdam op 25 februari 1925 het ‘Consultatiebureau voor Joodsche zenuw- en geesteszieken en -zwakken’ geopend met als doel raad en leiding te geven bij de behartiging der maatschappelijke belangen van Joodsche zenuw- en zielszieken. In datzelfde jaar werd in navolging van Amerikaans voorbeeld in Rotterdam het eerste Medisch Opvoedkundig Bureau (MOB) opgericht, al spoedig gevolgd door MOB’s in andere steden. Ook hierbij was de religieuze factor dermate belangrijk dat er een aparte joodse MOB in Amsterdam gevestigd werd. In het begin waren de meeste bezoekers van het consultatiebureau oud-patiënten van het Apeldoornsche Bosch. Door het bureau werd naast poliklinische hulp ook geholpen bij het zoeken naar aangepast werk en waar nodig juridische hulp verleend. Tegen het einde van de jaren dertig maakten de economische crisis en de dreiging van nazi-Duitsland uitbreiding van de patiëntenzorg onmogelijk. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog legde de groei helemaal stil. In het boek ‘Wie in tranen zaait; geschiedenis van de Joodse Geestelijke Gezondheidszorg In Nederland’ samengesteld door R. Fuks-Mansfeld en A. Sunier wordt uitgebreid ingegaan op de duivelse tactiek van de bezetter. Allereerst werden vanaf de herfst van 1940 de joden stelselmatig geïsoleerd uit de Nederlandse samenleving. Aan het ministerie van justitie moesten ten behoeve van de Sicherheitspolizei de namen van alle joodse bestuurs-, personeelsleden en patiënten worden opgegeven. In 1941 volgde de verordening dat joden geen lid meer mochten zijn van niet-commerciële verenigingen en stichtingen, waardoor de joods psychiatrische zorg totaal geïsoleerd kwam te staan. Slechts de Armenraad en de Provinciale Commissie voor de nazorg in Groningen protesteerden hiertegen. Binnen de inrichting werden alle culturele- en sportverenigingen verboden, zodat er geen uitwisseling met andere verenigingen meer was. Uiteindelijk kwam de hele zorg onder verantwoording van de Joodsche Raad. Door de toeloop van Duits-joodse vluchtelingen in 1939, het lage sterftecijfer onder de patiënten en de aarzeling van een aantal families hun betrekkelijk veilig geachte familielid uit Apeldoorn weg te halen, was in ‘Het Apeldoornsche Bosch’ sprake van grote overbelasting. Joodse patiënten mochten niet langer in niet-joodse inrichtingen worden verpleegd en werden verwezen naar Het Apeldoornsche Bosch. Toch moesten na december 1941 de niet-joodse personeelsleden door joods personeel worden vervangen, hetgeen een groot personeelstekort met zich meebracht. Op 23 februari 1942 kwam zelfs het bericht dat een nooit officieel bekend gemaakte overgangstermijn was overschreden en het niet-joods personeel onmiddellijk moest worden ontslagen. Nog groter probleem vormde de vervanging van niet-joodse artsen. De joodse artsen die in opdracht van de bezetter uit de niet-joodse inrichtingen werden ontslagen, namen hun plaats in. Toch stak de hele situatie nog zo gunstig af bij wat de hele joodse gemeenschap in Nederland moest ondergaan, dat men de Apeldoornse inrichting de ‘Jodenhemel’ ging noemen. Op het terrein van het Apeldoornsche Bosch kon men elkaar bezoeken, vrijuit spreken en hoefde men zich niet aan de avondklok van acht uur te houden. Om van de heterogene personeelssamenstelling één geheel te maken, richtte men op eigen terrein dam-, schaak- en bridgeclubs op en werden cursussen en lezingen georganiseerd. Terwijl de joden van overal vandaan in Amsterdam werden geconcentreerd en doodsangst hoogtij vierde, werd in Apeldoorn zelfs nog een joods huwelijk gesloten tussen een arts en een personeelslid. Begin november 1942 hoorde directeur Jacques Lobstein onder strikte geheimhouding van de Inspecteur van het Krankzinnigenwezen, dr. A.G. Audier dat Het Apeldoornsche Bosch ontruimd moest worden. Hoewel hij lid was van de NSB prevaleerde bij dr. Audier de menselijkheid boven de trouw aan het nationaal-socialisme. De waarschuwing werd echter genegeerd en men hield zich vast aan de mededeling dat medische instellingen slechts voor medische doeleinden gebruikt mochten worden. Toch probeerden veel personeelsleden en patiënten die daartoe in staat waren, te vluchten en een onderduikplaats te zoeken. Op 11 januari 1943 kwam Hauptsturmführer F. Aus der Fünten, van de Zentralstelle fur jüdische Auswanderung in burger de psychiatrische inrichting bezoeken. Men kreeg daarbij de indruk dat hij wilde nagaan of er nog meer joodse patiënten geplaatst konden worden. Een week na het bezoek van de Hauptsturmführer werd opnieuw gewaarschuwd, nu door een spoorwegbeambte dat er een goederentrein op station Apeldoorn klaarstond met 40 wagons. Deze waarschuwing werd niet in de wind geslagen en diezelfde dag en nacht nog vertrok de helft van het personeel om een veiliger heenkomen te zoeken. Ongeveer honderd patiënten en 25 kinderen namen de benen, maar de meesten hadden geen adres waar ze naar toe konden, want hun familie was al weggehaald of ondergedoken. Op de ochtend van donderdag 21 januari 1943 maakte het personeel dat te kennen had gegeven bij hun patiënten te blijven een pakket eten en ondergoed voor iedereen klaar en werden er aan hoofdverpleegsters spuiten, verbandmiddelen en injectievloeistof uitgereikt. Tegen 18.00 uur reden honderd gewapende SS-ers het terrein op. Aus der Fünten, de kampcommandant van Westerbork, A.K Gemmeker en nog andere SS-ers deelden de artsen en inspecteur Audier mee dat de leiding van deze inrichting nu in hun handen was en dat alle patiënten voor hen ‘transportfähig’ waren. Bij de ontruiming gingen de SS-ers zeer wreed te werk. Onder luid geschreeuw en gejammer werden de patiënten de klaarstaande auto’s ingedreven, de zieken en bedlegerigen werden in twee lagen liggend op elkaar gestapeld en zodra de auto vol was naar het station gereden. Sommige patiënten waren in pyjama, anderen zelfs naakt en in dwangbuizen bij een buitentemperatuur van 5 graden. De 94 kinderen werden met dezelfde wreedheid in de goederenwagens geperst. Directeur Lobstein en de artsen werden apart gehouden en 52 daartoe gedwongen personeelsleden werden als begeleiders meegenomen. Maar in plaats van mensen te kunnen begeleiden, werden ook zij bij elkaar in een wagon geperst, terwijl alle klaargemaakte bagage, de levensmiddelen, het linnengoed en de geneesmiddelen in de inrichting achter bleven. Een Duitse soldaat die de telefooncentrale in de inrichting bediende, gaf aan iedereen die naar patiënten informeerde het antwoord: “Der ist im Himmel. Heute morgen aufgeflogen. Slechts directeur Lobstein, dr. Querido en enige administratieve en technische personeelsleden, in totaal 36 mensen bleven achter in Het Apeldoornsche Bosch om 10 dagen later alsnog naar kamp Westerbork te worden afgevoerd. Slechts 2 van hen overleefden de oorlog. Van de 869 patiënten en 52 begeleidende personeelsleden werd nimmer meer iets gehoord. Psychiatrische Zorg in Het Apeldoornsche Bosch en het Sinaï Centrum Deel II
Mail de redactie
Meld een correctie

Deel dit artikel via:
advertentie
advertentie