
Ger [bleef zwijgen,] tot vele jaren na dramatische overval
22 april 2025 om 18:31Bij Ronald Kersten thuis werd nóóit over de oorlog gesproken, tot Ronald 27 jaar was. Toen vertelde zijn vader hem opeens iets over zijn rol in het verzet. Vluchtig, feitelijk, zonder veel emoties. Zoals alle verzetsmensen had hij geleerd om te zwijgen.
Ronald (82) en zijn vrouw Bep (81) kwamen héél geleidelijk meer en meer te weten over het oorlogsverleden van Gerrit ‘Ger’ Kersten (1913-1988). De stukadoor en rijwielhersteller die als dienstplichtig militair naar Amersfoort was gekomen en zich vestigde met echtgenote Gerdine – ‘Dien’ – aan de Primulastraat in het Soesterkwartier.
Zoals meer lotgenoten in de tijd van de wederopbouw zocht Ger vergetelheid in zijn werk: hij werkte áltijd, wel ‘tachtig tot honderd uur per week’, schat Ronald. Ger was persfotograaf voor de Amersfoortse Courant, had een fotostudio en dreef een winkel in fotobenodigdheden aan de Noordewierweg. Iederéén kende hem. Als hij over straat liep, altijd strak in het pak en zijn Leica bij de hand, kon hij geen stap zetten zonder te worden aangesproken door iemand die hij ooit op de foto had gezet.
PIETJE BELL Maar de oorlog was onontkoombaar aanwezig. Zijn bedrijfsnaam ‘Foto Bell’ verwees naar zijn verzetsnaam ‘Pietje Bell’, naar de kwajongen uit de jeugdromans. Ger had zijn eerste professionele foto’s gemaakt toen er pasfoto’s nodig waren van de foute Nederlanders die na de bevrijding in Kamp Amersfoort waren gedetineerd.
Herinneringen kwamen naar boven toen de ‘Drie van Breda’ zouden worden vrijgelaten: drie Duitse oorlogsmisdadigers die begin jaren ’70 hun straf zouden hebben uitgezeten. Of niet? Dit leidde tot felle discussies. Ger was drie maanden lang niet aanspreekbaar - uiteindelijk zouden de drie massamoordenaars geen of vrijwel geen tijd in vrijheid doorbrengen. Hetzelfde gebeurde als Florrie Rost van Tonningen weer eens in het nieuws was, de NSB-weduwe die fanatiek het nationaal-socialistische gedachtengoed bleef uitdragen. Ger was dan ‘niet te genieten’.
,, Achterin, aan de kant van de tuin, vonden ze een gesloten luik in de vloer. Daaronder een gat met een vrijwel vergaan matrasje.
WEGGEPROMOVEERD Maar de eerste verhalen van Ger kwamen pas los nadat hij in 1968 met een groep oud-verzetsmensen bijeen was gekomen. Ze besloten een metalen plaatje met opschrift te bevestigen op de gevel van een adres aan de Scherbierstraat. Er werd op vermeld dat Karl Fürgler – een voormalige SS’er die zich bij het verzet had aangesloten – op dit adres was doodgeschoten door de Nederlander A.J. Hafkamp, inspecteur van de politie.
,,Nog geen half uur later had de politie dat bordje weggehaald’’, zegt Ronald. Want de feiten rond de dood van Fürgler lagen volgens Hafkamps collega’s héél anders, en Hafkamp zelf had het inmiddels geschopt tot regiocommissaris vanuit Gorinchem. Al was hij aanvankelijk weggepromoveerd naar Indonesië.
Nog zoiets: Ger kampte met een onwillige arm sinds hij onder vuur was genomen door de Nederlandse politie. Die werkte immers gezagsgetrouw mee met de bezetter. Eén kogel was in zijn rechteronderarm gekomen, die daarna nooit meer naar behoren functioneerde. De rest van zijn leven zag het er omslachtig uit als hij met een lepel probeerde te eten.
GORDEL VOL PISTOLEN Ronald en Bep weten dat Ger 22 dagen gevangen had gezeten op het toenmalige politiebureau aan de Torenstraat. En dat zijn vrouw Dien ooit ‘met een gordel vol pistolen onder een regenjasje’ van Amersfoort naar Amsterdam was gefietst. Ook zij zat in het verzet en was nergens bang voor.
Gers meest dramatische verzetsdaad was echter zijn medewerking aan een overval op een distributiekantoor op 11 februari 1944. De dag waarop Fürgler omkwam en waaraan Ger zijn moeilijke rechterarm overhield.
Het kantoor bevond zich in een voormalig schoolgebouw aan Plantsoen-West, dat zou plaatsmaken voor de Stadsring. Hier werden bonnenkaarten voor voedsel verdeeld. De verzetsgroep waarvan Ger sinds 1943 deel uitmaakte, wilde een aantal bonnenkaarten buit maken, zodat ze onderduikers te eten konden geven. De overval zou op gruwelijke wijze uit de hand lopen.
ROEL WOLTHUIS Een verslag van de gebeurtenissen kregen Ronald en Bep van nazaten van Fürgler, nadat ze bij diens graf in Rusthof met de Nederlandse zoon van Fürgler in gesprek waren geraakt. Die zoon vroeg zich af wie er toch jaar in, jaar uit op 4 mei bloemen bij dat graf legde. Bep: ,,Die bloemen kwamen in eerste instantie van Ger en Dien. Wij hebben die traditie daarna voortgezet, tot op heden.’’
De zeskoppige groep werkte bij deze gelegenheid onder leiding van de ervaren verzetsman Roel Wolthuis. Het grootste risico vormde de nabijheid van het politiebureau. Agenten waren na het eerste rumoer snel ter plaatse en er ontstond een vuurgevecht. Sommige ‘goede’ agenten zouden expres mis hebben geschoten, maar Fürgler en Ger Kersten raakten gewond. Fürgler vluchtte naar de zolder boven een eethuisje aan de Scherbierstraat; hij had zich er al eerder schuilgehouden.
METALEN BORDJE Politie-inspecteur Hafkamp beklom een ladder die tegen de gevel stond, sommeerde Fürgler zich te melden en doodde hem daarna met een schot, dwars door de vloer van de vliering. Volgens enkele getuigen had Hafkamp gehoord dat Fürgler daarboven zijn wapen laadde. Hafkamp zou hebben gehandeld uit zelfverdediging. Daar geloofden de verzetsmannen niets van. Fürgler was ernstig verzwakt, bloedde hevig en was in feite stervende.
Eind 1967 haalde de zaak de landelijke media. Vrij Nederland en de Haagse Post schreven over de moord op de dappere Fürgler. Op 11 februari 1968 – op de kop af 24 jaar na de overval en de dood van Fürgler – togen Wolthuis, Kersten en meer oud-verzetsstrijders naar het pand aan de Scherbierstraat 3.
Ze spijkerden op de gevel een bordje met de tekst: 'Op deze plaats werd op 11-2-’44 vermoord de ill. werker KARL FÜRGLER. Als medestrijder aan de overval op het voorm. distributiekantoor wist hij hoewel gewond hierheen te vluchten waarna de Ned. pol. officier Hafkamp hem opspoorde en als een hond afmaakte'.
ONDERDUIKPLEK Terug naar 1944. Ger Kersten, die bij de mislukte overval twee keer was geraakt, slaagde erin terug te keren naar het Soesterkwartier, waar hij werd binnengehaald door de buren op Primulastraat 47. Zij lieten dokter De Beaufort komen, een arts uit het verzet, die hem op de keukentafel opereerde, teneinde een van de kogels uit zijn lijf te halen. De tweede kogel zou later in een Amsterdams ziekenhuis worden verwijderd. Daarna dook Ger onder op nummer 44.
In 1970 kochten Ronald en Bep als pasgetrouwd stel de woning op het laatstgenoemde adres, met nadrukkelijke steun van Ger. Ze woonden eerder achter de fotowinkel bij Ronalds ouders en waren toe aan een zelfstandige woning. Ger had hen doelbewust naar dit pand gemanoeuvreerd, denken Ronald en Bep achteraf. Pa Kersten wist dat de woning te koop stond, wees hen erop en gaf financiële steun bij de aankoop.
Achterin, aan de kant van de tuin, vonden ze een gesloten luik in de vloer. Ze wrikten het open en troffen er tot hun stomme verbazing een onderduikplek aan. Er was een manshoog gat uitgegraven en er lagen nog een vrijwel vergaan matrasje en een radiobode uit 1939.
OORLOGSPENSIOEN Ger Kersten liep tegen de zestig toen het werken niet meer ging en hij een oorlogspensioen moest aanvragen. Het viel hem zwaar om Foto Bell los te laten. Maar zijn huisarts adviseerde hem om te stoppen. Het was een hele troost dat Ronald en Bep de zaak overnamen, ook al moest Ronald zijn vaste baan als fotograaf bij de Amersfoortse Courant ervoor opzeggen.
Op bescheiden schaal deed Ger toch nog een beetje aan traumaverwerking. Hij ging elk jaar naar een bijeenkomst van de Stichting 1940-1945, die zich inzet voor door de oorlog getroffenen. Bep reed dan met hem mee en weet nog dat de reünies vooral gezellig waren. De ouderen spraken vrijwel niet over de oorlog.
Misschien was Ger bang om op te scheppen. Zijn vrouw Dien had wellicht om diezelfde reden voor haarzelf nooit een verzetspensioen aangevraagd. Zoals alle echte verzetsmensen had ze geleerd om te zwijgen En dat bleef ze doen.



